You are here

Algemene anesthesie (verdoving)

Anesthesist zet beademingstoestel op gezicht van patiënt in de operatiezaal

Verloop van de verdoving

  1. Via een infuus (slangetje in de ader) spuit de anesthesist geneesmiddelen in of via een masker dient hij anesthesiegassen toe die u inademt. Binnen enkele seconden bent u bewusteloos.
  2. Vervolgens krijgt u krachtige pijnstillers en spierverslappers. Dankzij de spierontspanners kan de chirurg de operatie veel gemakkelijker uitvoeren.
  3. De anesthesist houdt de ademwegen vrij en controleert de ademhaling. Bij kleinere operaties gebeurt dit via een masker op de mond, bij grotere operaties brengt de anesthesist een buisje in de luchtpijp. Dat buisje verbindt hij met een beademingstoestel dat ervoor zorgt dat de patiënt tijdens de operatie toch voldoende zuurstof en eventueel ook anesthesiegassen krijgt toegediend.
  4. Tijdens de operatie zal de anesthesist voortdurend de diepte van de narcose, de werking van het hart, longen, nieren en hersenen in het oog houden. Hij stuurt ook de medicatie bij waar nodig.

Weer wakker worden

Tegen het einde van de operatie zal de anesthesist de medicijnen die u bewusteloos maken geleidelijk aan stoppen. Zo wordt u langzaam weer wakker. Als u zelf opnieuw voldoende kunt ademen, verwijdert men het beademingsbuisje uit de luchtpijp.

Bij het ontwaken, observeren anesthesisten en gespecialiseerde verpleegkundigen u nauwlettend totdat uw lichaam weer voldoende zelfstandig functioneert. Ze controleren:

  • uw ademhaling
  • uw bloeddruk
  • of uw pijn onder controle is
  • of u voldoende wakker bent

Het verblijf in de ontwaakzaal varieert van een half uur tot meerdere uren. Dit is afhankelijk van de ernst van de operatie en de toestand van de patiënt. Zodra u opnieuw in een voldoende stabiele conditie bent, mag u terug naar een gewone kamer.

Info: dienst anesthesie AZ Delta, 13 juni 2014